OP ZOEK NAAR HET GELUK - Een kerstverhaal

  • Afdrukken

1140x350-kerstverhaal

 

Op zoek naar het geluk klopte een pelgrim aan deur van het paleis waar God woont. Het was al opmerkelijk dat hij het tot daar had gebracht, want veel van de mensen die hij onderweg had ontmoet leken alles over dat paleis te weten ofschoon niemand kon zeggen dat hij er al was geweest. Misschien ook omdat ze er niet echt naar gezocht hadden, dacht hij, toen hij de deur van het paleis ontwaarde na een zoektocht die zijn hele leven had geduurd.

 

“Het geluk”, zo werd hem onderweg steeds voorgehouden, “is enkel voor degenen die naar God luisteren en naar zijn wil leven. Zo niet volgen er pijnlijke straffen” zeiden zij, die echt meenden dat ze het wisten. En ze voegden daar vaak nog aan toe dat God rechtvaardig is en als hij strafte, hij dat uit pure liefde deed.

 

Onze pelgrim moest hierbij steeds zijn wenkbrauwen fronsen en soms zelfs even slikken, want volgens zijn gevoel klopte hier iets niet. Of wel, voelde hij, is God Liefde en straft niet of God straft en kan geen Liefde zijn.

 

Hoe dan ook, om er achter te komen wat Gods wil is las hij vele Heilige Boeken uit vele streken en raakte steeds meer van streek. Die boeken hadden soms heel tegenstrijdige opvattingen, moest hij vaststellen. En toch werd elk boek door de trouwe lezers als het enige ware geschrift en als de absolute waarheid verklaard. Dit omdat God het zelf had geschreven, zo zeiden ze dan triomfantelijk, alsof ze zich daarmee ook zelf wilden overtuigen.

 

Bij het horen hiervan moest hij zijn wenkbrauwen nog meer fronsen, want God kon toch onmogelijk elke dag er een andere opvatting op nahouden? Dus die boeken brachten hem ook niet verder, ook al stond er naar zijn gevoel in alle werken hier en daar wat heel waars.

 

Op zekere dag ontmoette hij een vreemdeling. Het gebeurde een dag voor de kerst tijdens een lange wandeling door de sneeuw. Hij was de weg kwijt en het werd al avond. Bij een splitsing van het pad wist hij even niet in welke richting hij verder moest, toen hij van rechts iemand zag naderen. Het bleek een man te zijn met een korte baard die een lange mantel onder een brede hoed droeg.

 

De ander had hem zeker al zien staan, want hij stopte, groette hem en vroeg of hij misschien van dienst kon zijn. “Ik zou er veel voor geven”, zei de pelgrim, “maar ik vrees dat dit heel moeilijk wordt, want ik ben op weg naar het paleis van God en weet niet of ik hier links of rechts moet afslaan.”

 

De vreemdeling glimlachte en zei: “Zoek niet verder, beste vriend, want je bent er al. Ja, hier midden in het bos. Ook hier in het woud, want je draagt het in je eigen wezen steeds met je mee. Het paleis van God zit diep in je eigen hart verborgen en je hebt niets en niemand nodig om aan Zijn deur te kloppen. En die gaat altijd open voor ieder die er in slaagt om tot aan de drempel te geraken.”

 

Het was even stil omdat de pelgrim die woorden tot zich moest laten doordringen en verwerken. “Hoe kom ik dan tot aan de deur van dat paleis”, vroeg hij tenslotte. De vreemdeling antwoordde: “Dat is heel simpel. Sluit je ogen, concentreer op je ademhaling en je wordt heel stil van binnen. Je voelt dat je steeds dieper in jezelf verzinkt totdat het langzaam licht wordt. Licht in je innerlijke ruimte, licht in je hart. Je voelt dan dat paleis diep in je hart. Vervolgens klop je in gedachten op de deur om ze te openen. Ja, jij opent zelf die deur door te kloppen. God wacht geduldig tot elk mens aan zijn deur heeft geklopt.”

 

Weer had de pelgrim even nodig om dat echt te vatten. “En moet ik dan op mijn knieën voor hem bidden?”, vroeg hij. Want in dat paleis wordt voor het geluk eeuwig gebeden, zo hadden ze hem steeds verteld. “Bidden ja,” was het antwoord, “maar niet noodzakelijkerwijze op je knieën, ook al kan dat af en toe geen kwaad. En vergeet dat eeuwige, want er komen ook nog heel wat andere zaken aan de orde. Regelmatig bidden is ruim voldoende.”

 

“En hoe moet ik dan bidden” was de volgende vraag. De vreemdeling zei dat ieder dat zelf vanuit zijn diepste gevoel moest doen en hij hem daarmee concreet niet kon verder helpen.

 

“Ik kan je wel vertellen hoe ik dat doe. Ik ontmoet God door steeds weer alles wat me beweegt met hem te delen.  Stel je het zo voor: ik benader God niet om wat dan ook te vragen. Ik ga in gedachten naar hem toe en dank hem voor alles wat er is gebeurd. Ik dank hem voor elke situatie waarin ik verzeild ben geraakt. Door dat danken ervaar ik diepe zekerheid. Dat is de zekerheid dat ik constant in Gods hand aanwezig ben en voortdurend geleid wordt en niets me kwaad kan doen en ik enkel dat ervaar waar ik uit moet leren. Dat inzicht heeft mij onverwoestbare zekerheid en zelfvertrouwen gegeven.

 

En die hand van God heb ik al lichamelijk gevoeld en wel uren lang. Het was na een diepe meditatie en het voelde werkelijk alsof ik in een grote hand zat. Zeker een geschenk van de schepper om nog eens te bevestigen dat alle mensen zich steeds in zijn hand bevinden. Uiteindelijk heb ik begrepen dat we deel zijn van Gods hand en er nooit kunnen uitvallen ook al lijkt het dat we nu en dan door zijn vingers glippen. We kunnen het ons ook zo voorstellen dat we allen een vinger aan Gods hand zijn.

 

Mensen die vragen, blijven eigenlijk steeds in een energieveld van gebrek steken. Ik dank voor alles wat is en voor dat wat ik heb en voor dat wat ik nog niet heb. Daardoor krijg ik van hem steeds aanwijzingen voor mijn volgende stap naar een nog dieper geluk. Zo bid ik en zo word ik steeds gelukkiger.”

 

“Ben je dan nog altijd niet genoeg gelukkig,” vroeg de pelgrim. “Ach, ik voel me heel gelukkig”, was het antwoord, “maar het kan steeds beter en dieper. Ik ben in feite geen gelukszoeker maar concentreer me maximaal op wat in elk moment gegeven is en tracht daar zo bewust en liefdevol als mogelijk mee om te gaan en dat maakt me vanzelf gelukkig.

 

Het probleem”, zo ging hij verder, ” is dat de meeste mensen met hun gedachten of in het verleden of in de toekomst verblijven en daarom niet bewust worden van de kracht en het potentieel van het moment. Daardoor leven deze mensen steeds in illusies, want het verleden is er niet meer en de toekomst is er nog niet. En zo verwijlen ze in het niets terwijl ze denken dat ze in de realiteit staan. Helaas gaat op die manier het ene moment na het andere verloren.

 

We kunnen de werkelijkheid enkel vatten als we bewust in elk moment aanwezig zijn om er het beste van te maken en daarbij steeds trouw aan onszelf blijven. En dat doen we door enkel volgens ons gevoel en niet volgens ons verstand te leven. Daardoor heb ik in ieder geval mijn huidig geluk gevonden.

 

Vroeger leefde ik grotendeels om me af te vragen wat de anderen wel van mij verwachtten en voelde het als mijn  plicht om daar zo goed als mogelijk aan te voldoen. Maar gaandeweg werd ik steeds ongelukkiger terwijl de anderen steeds meer van mij verwachtten. En ik zag dat door mij zelf weg te cijferen zij er zichtbaar niet beter van werden. Integendeel.”

 

“Dat komt mij bekend voor.” zei de pelgrim en dacht aan zijn eigen ervaringen.

 

“Op zekere dag had ik er echt genoeg van en besloot  ermee te stoppen en enkel nog dat te doen wat ik diep in mezelf voelde te willen doen”, ging de vreemdeling verder. “ Dat was voor mij de eerst stap uit een ware gevangenis naar waarachtige vrijheid. Mijn omgeving was ontzet en maakte er een tijd lang een drama van en vonden mij iemand die zich niets meer van zijn plichten aantrok.

 

Maar na een tijdje begonnen ze op een meer positieve wijze te reageren door zelf ook te veranderen. Ze lieten steeds meer verwachtingen los en begonnen zo stap voor stap mijn voorbeeld te volgen en werden ook vrijer, vrolijker en gelukkiger.”

 

“Vertelt God me dan wat geluk is?”,  vroeg de pelgrim. “De weg naar geluk gaat altijd via waarheid en Liefde”, zei de vreemdeling.

 

Het begon weer te sneeuwen maar beide mannen schenen het niet te bemerken.

 

“Laten we het eerst eens over waarheid hebben”, vervolgde de vreemdeling zijn betoog. “God vertelt altijd de waarheid, hij kan niet anders, want hij is waarheid. En de waarheid, die hij je vertelt is dat je waarheid enkel in jezelf kunt vinden. Jouw waarheid wordt steeds in elke situatie door je diepste gevoel aangegeven.

 

Ook heeft waarheid meer met doen dan met kennen te maken. Zeker is het weten nodig om waarheid in je leven tot uitdrukking te kunnen brengen, om waarheid te kunnen leven. Het gaat dus om steeds waarheid te doen, waarheid te zijn. En dan kom je vanzelf in onvoorwaardelijke Liefde terecht, want dat brengt 'de waarheid leven' automatisch met zich mee. En in onvoorwaardelijke Liefde ligt het geluk besloten. Om Liefde, echte, onvoorwaardelijke Liefde gaat het in feite en dat omvat alles, ook bewustheid, vrijheid, waarheid en geluk. Je hoeft hier niet links of rechts af te slaan. Ga terug waar je vandaan komt, maar ga bewust terug."

 

"Ja," zei de pelgrim. " ik ga terug met nieuwe inzichten. Dank je duizend maal, vreemdeling. Ik dank ook God alvast dat ik jou ontmoet heb. Wat een toeval!"

 

"Toevallen bestaan niet" zei de vreemdeling en nam het linker pad om zijn weg te vervolgen.

 

De pelgrim besloot inderdaad de weg terug te nemen van waar hij gekomen was. In gedachten verzonken merkte hij nauwelijks dat de natte sneeuw langzaam in regen overging. Hij kreeg het koud en merkte dat zijn jas doorweekt was. Wat verder zag hij een boerderij iets van de weg af staan. Er branden volop lichten door de ramen en er stond een schuur naast het woonhuis met een ruim afdak. Hij besloot om daar te gaan schuilen. Met zijn rug tegen de poort kon de regen hem niet meer bereiken. Na een kwartier of zo ging de deur van het woonhuis open en iemand kwam naar buiten en plaatste een kist tegen de gevel. Met lege flessen, dacht de pelgrim, want het rinkelde zoals glas kan rinkelen. Dan bemerkte de man onze pelgrim en liep naar hem toe.

 

“Schuilen voor de regen zeker”, zei de boer, kom toch binnen, daar is het warm en je kunt er jouw natte jas bij de kachel drogen. De pelgrim bedacht zich niet lang, bedankte de boer voor zijn uitnodiging en volgde hem naar binnen waar een twaalftal personen rond een lange tafel zaten te eten. De boer vertelde de aanwezigen dat hij de gast bij de schuur had gevonden en hem had uitgenodigd zich binnen te warmen en te drogen. Hij vroeg de pelgrim om zijn jas en hing die dan ook naast de roodgloeiende kachel. Dan noemde hij beurtelings de namen van alle aanwezigen en vroeg ook wat zijn naam was. Vervolgens haalde hij een stoel bij, plaatste een bord op tafel, vulde dat met aardappelen, groenten en een stuk vlees en zei: “Welkom vreemdeling, eet en drink met ons”, terwijl hij ook nog een glas bier voor hem inschonk.

 

Nu was de pelgrim overtuigd vegetariër en dronk ook geen alcohol. Maar plots herinnerde hij zich dat hij ergens gelezen had dat toen Jezus na veertig dagen vasten uit de woestijn kwam, dat hij in feite geen voedsel meer nodig had, maar toch nu en dan nog at als hij daartoe liefdevol werd uitgenodigd en dan steeds ook van alles nam wat er op tafel stond. “Wie ben ik”, zo dacht hij, “om deze goede mensen hun voedsel te weigeren? Dat kan ik hun en mezelf niet aandoen.” Zo at hij vlees en dronk bier en genoot ervan. Na het eten kreeg hij nog een borrel waaraan hij langzaam nipte terwijl hij de druppels alcohol intens op zijn tong voelde branden.

 

“Nu vertel ons waar je vandaan komt en waar je naar toe gaat”, vroeg de boer. "Eerst en vooral zou ik allen willen bedanken voor jullie onthaal, voor het eten en drinken. Jullie gastvrijheid heeft me echt diep geraakt. Wat deze vraag betreft, Ik weet niet of jullie me kunnen volgen," zij hij, "maar ik ben al zolang op zoek naar het paleis waar God woont en eerst vandaag kreeg ik concrete aanwijzingen waar ik het kan vinden."

 

“Dat God in een paleis woont, daar heb ik nog nooit van gehoord”, zei de boer. “Voor mij woont hij in de aarde, want hij maakt die vruchtbaar. Hij woont ook in het koren en in alle andere gewassen want hij doet die groeien”. “Hij woont ook in de koeien en in de varkens die ons melk en vlees leveren, zodat we genoeg te eten hebben,”  voegde de vrouw van de boer er nog aan toe, die voor het melken zorgde.

 

Een van de andere aanwezigen, een vrouw zei: “Voor mij woont hij in mijn man, want hij is zo ontzettend lief voor mij en voor onze kinderen dat ik er soms de tranen van in mijn ogen krijg. Maar van een paleis heb ik ook nog nooit gehoord.” Haar man, die naast haar zat nam het woord, keek zijn vrouw aan en zei: “Ik doe echt niets bijzonders, ik doe alleen waar ik echt zin in heb”. En hij omhelsde haar.

 

Onze pelgrim voelde zich geroepen om te reageren en zei: “ik kan jullie volgen, dat geeft mij weer een andere kijk op deze zaken. Ik dank jullie voor deze uitleg”, en dacht: “Deze mensen hebben zonder het te weten het paleis al gevonden. Meer hebben zij echt niet nodig, want zij lijken allen liefdevolle mensen, gelukkig, vrolijk en genieten met volle teugen van het leven. Daar kan ik een voorbeeld aan nemen”. Zelf leefde hij eerder teruggetrokken en gunde zich weinig pleziertjes daar hij meestal bezig was om anderen op alle mogelijke manieren te helpen. Hij stond op en zei dat hij wilde verder gaan. Hij gaf ieder een hand en als laatste de boer die hij nogmaals bedankte. Bij de deur zei deze nog: “Een eindje verder is er aan de linkerkant een weg die naar een huis voert van een man die veel over God weet. Misschien kan die je verder helpen.”

 

De pelgrim dacht, waarom niet? Het oude huis was makkelijk te vinden, hij klopte aan en er werd vrij snel geopend door een jonge man, die hem zonder iets te zeggen aankeek. “Bent u die man die veel over God weet?”, vroeg de pelgrim. Met een grote grijns antwoorden die: “ Dat klopt, want God ben ik zelf, maar kom binnen, dan kunnen we er verder over praten. Niet alleen ben ik God, maar jij bent ook God, iedereen is God, maar iedereen heeft het vergeten en het wordt tijd dat iedereen begint om zich dat te herinneren.

 

En het woord zelf geeft al sinds zijn ontstaan de nodige aanwijzingen: her-inneren is zich terug naar binnen keren. Door je te her-inneren”, hernam de jonge man, “kom je uiteindelijk in een grote ruimte, de ruimte van je ziel. Het is een buitengewoon prachtige ruimte die ieder naar eigen smaak kan inrichten.

 

Maar de ruimten van de ziel van alle mensen hebben iets gemeen: In het midden bevindt zich altijd een groot Licht. Het is het Licht van je ziel waar je kunt instappen om je energiesysteem op te laden. En als je dan na een tijdje met het Licht samensmelt en het Licht wordt, dan heb je aan de deur van het paleis van God geklopt waardoor die deur dan open is voor al wat je met je schepper hebt te bespreken.

 

In een flits voelde de pelgrim, dat hij hier tot de kern van zijn probleem was doorgedrongen en zag de oplossing levendig voor ogen. “Een vraag heb ik nog, want een ding is nog niet duidelijk, hoe kan ik mij her-inneren, hoe kom ik in die innerlijke ruimte? Wat is daar voor nodig?”

 

Het antwoord kwam meteen: “Sluit je ogen, concentreer op je ademhaling en je wordt heel stil van binnen. Je voelt dat je steeds dieper in jezelf verzinkt totdat het langzaam licht wordt. Licht in je innerlijke ruimte, licht in je hart. Je voelt dan dat paleis heel, heel diep in je hart.

 

“Ja, dat is al de tweede keer dat ik dat hoor,” dacht hij. “Dus moet het wel kloppen als ook de man het zegt die God is.”

 

Hij omhelsde de man die God is en vertrok. Bij de deur zei hij nog:  “Als het niet had geregend, dan was ik hier nooit gekomen. Wat een toeval !"

 

“Toevallen bestaan niet", antwoordde de jonge man terwijl hij de deur sloot.

 

Het stopte met regenen en na een tijdje bereikte hij de rand van de stad waar hij woonde. In het centrum, vlak bij de kerk zat een oude bedelaar. Hij zocht in zijn jaszak naar wat kleingeld, maar die waren leeg. Hij had enkel nog wat grote biljetten en vroeg zich af of hij vanwege de kerst er een in de muts van de man zou leggen. Dan kreeg hij een ingeving en zei: “Morgen is het kerstmis, ik nodig je uit voor een kerstmaal in een restaurant van een vriend.” Die vriend zou de man in zijn haveloze kleren in zijn gezelschap wel niet de deur wijzen.

 

De bedelaar accepteerde het aanbod en samen gingen ze verder. Er waren nog niet veel mensen in het restaurant, maar de aanwezigen keken wel even vreemd op, toen de bedelaar passeerde. En toch groette ieder hen beleefd. Ze namen plaats aan een tafeltje voor twee in een hoek. De pelgrim vroeg wat de ander wilde eten. "Een kleinigheidje," zei deze. "Ik heb eigenlijk geen honger, want ik heb al gegeten. En overigens ben ik niet echt bedelaar, maar zit daar van tijd tot tijd, telkens met een andere opdracht.

 

Vannacht had ik een droom”, ging hij verder, “waarin een engel me vroeg om vandaag juist op die plek te gaan bedelen.” Er zou iemand komen die me geen geld maar iets anders zou willen geven. En ik werd gevraagd dat te accepteren omdat ik met die man over de energie van Kerstmis moest praten.

 

Zoals ik het zie,”vervolgde de haveloze zijn verhaal, “meestal wordt de kerst met vrede verbonden. Maar vrede is enkel mogelijk als er waarlijk Liefde in het spel is. Vrede op aarde begint met vrede in je eigen hart. Vrede in je hart heb je als je alles accepteert wat er op je pad verschijnt. Je kunt alles aanvaarden wat je tegenkomt als je geen verwachtingen meer hebt en nergens meer aan gehecht bent in de zin dat er niets meer overschiet dat je onmogelijk zoudt willen missen. Heb je dat allemaal in jezelf gerealiseerd, dan heb je onvoorwaardelijk lief, omdat je ieder in zijn of haar Goddelijkheid ziet en erkent. Dan leef je onvoorwaardelijke Liefde, leef je enkel in het Hier en Nu en in de werkelijkheid, want je bent dan bewust van wie je bent: God. Ook God. Ik moest je verder nog deze boodschap meegeven: Word onvoorwaardelijke Liefde.”

 

“En hoe doe ik dat?”, vroeg de pelgrim.

 

“Ja, hoe doe je dat,”  zei de ander. “Sluit je ogen, concentreer op je ademhaling en word heel stil van binnen. Je voelt dat je steeds dieper in je hart verzinkt totdat het langzaam licht wordt. Licht in je innerlijke ruimte, licht in je hart. Je voelt en ziet dan het paleis van God in het Licht van je eigen ziel. Stap in dat Licht. Je bent dan in dat paleis waar rust en vrede maar bovenal de energie van onvoorwaardelijke Liefde heerst. Hier ben je waarlijk gelukkig. Baad elke dag in dat Licht, adem het in en vul er je hele wezen mee, want je vindt daar ook de antwoorden op al je vragen. Heb onvoorwaardelijk lief, wees onvoorwaardelijke Liefde en niet alleen met de kerst, maar elke dag en dan is je zoektocht definitief ten einde."

 

Fijne feestdagen !

Elias